De regels van de Tijdelijke regeling en Het Statuut moeten op de schop!

De regels van de Tijdelijke regeling en Het Statuut moeten op de schop!

Voor mensen die, tussen 1945 en 2012, te maken hebben gehad met seksueel misbruik binnen een instelling of pleeggezin, zijn er twee regelingen in het leven geroepen, te weten: de Tijdelijke regeling en het Statuut. Beide regelingen lopen eind februari 2017 af. De periode dat deze regeling van kracht is, is veel te kort en dat zal er vast mee te maken hebben, dat mensen pas over seksueel misbruik kunnen praten wanneer ze daaraan toe zijn. Wat er ook mee te maken zal hebben, is het feit dat je wel een heel sterke zaak moet hebben wil je in aanmerking kunnen komen voor het Statuut. Mensen moeten namelijk bewijzen, dat wanneer ze binnen een instelling seksueel geweld ondervonden van huisgenoten, er tenminste één medewerker van de instelling op de hoogte was en niets deed. Voor kinderen in een pleeggezin gold ook zo’n regel: wanneer het misbruik plaatsvond binnen de kringen van het pleeggezin, dan moet je nu kunnen bewijzen dat tenminste één medewerker van de plaatsende instantie op de hoogte was en niets deed.

Het is onvoldoende wanneer men dat aannemelijk kan maken, steunbewijs is niet voldoende, hier gaat het om hard bewijs. Mocht zoiets ooit in een dossier gestaan hebben, dan is de kans om dit terug te vinden erg klein, immers door de tijd heen waren er wisselende regels met betrekking tot de vernietiging van dossiers, zodat hier nu niets meer van terug te vinden is. Daarnaast is het zo dat dergelijke meldingen hun weg naar een dossier dikwijls niet vonden. Bijvoorbeeld wanneer een medewerker of voogd/voogdes wel op de hoogte was, maar niets deed.

De wegen van de regelingen zijn zwaar, en die van het Statuut extra zwaar, omdat het bewijs maar zelden geleverd kan worden.

Voor mensen die als kind misbruikt werden door een medewerker van de instelling of door iemand van de plaatsende instantie, geldt deze bewijseis niet, want in dat geval was van de instelling of de plaatsende instantie tenminste één persoon op de hoogte. Te weten: de dader. En nee, die deed doorgaans niets om het misbruik te stoppen. Dan rest nog het misbruik op zich aannemelijk te maken.

Wanneer men een beroep doet op het Statuut, stelt men in feite Jeugdzorg verantwoordelijk en laten we wel wezen: Jeugdzorg was verantwoordelijk. Maar deze verantwoordelijkheid neemt men alleen in geval er bewezen kan worden dat Jeugdzorg, op de hoogte was en niets deed. Daarmee wordt de verantwoordelijk voor een melding van het misbruik van toen, gelegd bij het kind van toen. Alsof dat kind van toen zo even de telefoon kon pakken, of zo met bus en trein naar de plaatsende instantie kon gaan. Of dat een kind dat misbruik ondervond van groepsgenoten, maar zo even dat aan de leiding kon vertellen. Immers daders uiten doorgaans ernstige dreigementen om hun slachtoffer het zwijgen op te leggen.

De regels voor het Statuut zijn onder andere door Jeugdzorg zelf opgesteld. Jeugdzorg hoeft zich alleen maar te verdedigen tegen die bewijseis door te laten weten dat ze van niets hebben geweten en dus ook niets konden doen, want wanneer je niet weer dat een kind seksueel misbruikt wordt, dan kun je het misbruik ook niet laten stoppen. Er wordt van Jeugdzorg niet verlangd dat zij kunnen bewijzen dat alles in het werk is gesteld om de kinderen van toen goede zorg te bieden. Ze hoeven niet te bewijzen dat voogden één op één gesprekken hadden met de kinderen, ze hoeven zelfs niet te bewijzen dat ze überhaupt het kind regelmatig bezochten. Ze hoeven alleen maar aan te voeren dat ze niets wisten. En zelfs dat hoeft niet bewezen te worden, ze hoeven het alleen maar te zeggen. De bewijseis pakt vooral in het voordeel van Jeugdzorg uit. Voor het kind van toen is het in de meeste gevallen een niet te nemen hindernis. Geen wonder dat maar zo weinig mensen met (enig) succes een beroep kunnen doen op het Statuut. Voor de kinderen van toen, betekent dit alles vaak dat ze ook nu monddood gemaakt worden, want: wie gelooft er nu een kind?

Het melden van misbruik zou niet mogen verjaren. Daarom zou de mogelijk om gebruik te maken van de regelingen ook niet mogen verjaren. Daarom pleiten wij ervoor dat de einddatum, eind februari 2017, opgeschort wordt, immers: misbruik verjaart niet.

Er zijn 5.000 handtekeningen nodig om onze petitie aan te kunnen bieden aan de Tweede Kamer. Daarom hebben we ook uw handtekening nodig.

Ja, ik steun en onderteken deze petitie:

Aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Hierbij verzoeken wij u om de volgende regel uit het Statuut te verwijderen:

  • De bewijseis, te weten: Jeugdzorg moet op de hoogte zijn geweest van het misbruik, door een medejongere wanneer het gaat om misbruik in een instelling, of door iemand binnen de directe kring van het pleeggezin, ingeval van misbruik binnen een pleeggezin, waarbij Jeugdzorg niets heeft ondernomen om het misbruik te stoppen.

Hierbij verzoeken wij u tevens om de volgende regel uit de Tijdelijke regeling en het Statuut te verwijderen:

  • De einddatum, te weten: 28 februari 2017